Aanmelden kinderopvang!

Nieuw GGD-rapport Peuterspeelgroep Pippeloentje in Onderdijk

27-11-2017

Alle locaties voor kinderopvang worden eens per jaar onaangekondigd bezocht door een inspecteur van de plaatselijke GGD. Daarna wordt een officieel inspectierapport op www.lrkp.nl gezet. Op 25 september 2017 bezocht de inspecteur Peuterspeelgroep Pippeloentje in Onderdijk.

De inspecties worden uitgevoerd om te controleren of de locaties voldoen aan alle eisen uit de Wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Op de eerste pagina (3) van het officiële rapport van 17 oktober 2017 staan de belangrijkste gegevens: een overzicht van de algemene kenmerken van de locatie en de inspectiegeschiedenis.

Tot slot de bevindingen: Aan alle getoetste voorwaarden is voldaan.                                          

En een advies aan het College van B&W: Geen handhaving (geen actie nodig).

De werkwijze
De inspecteur bezoekt de locatie en controleert een groot aantal punten. Die punten zijn in een aantal categorieën onder te verdelen waarvan de belangrijkste zijn:

  1. Pedagogisch klimaat
  2. Personeel en groepen
  3. Veiligheid en gezondheid
  4. Pedagogisch klimaat
    De inspecteur bekijkt of in de dagelijkse praktijk wordt voldaan aan vier pedagogische basisdoelen die in de Wet Kinderopvang worden gesteld:
  • De kinderen moeten zich emotioneel veilig en geborgen voelen
  • De kinderen worden gestimuleerd in hun persoonlijke ontwikkeling
  • De kinderen worden gestimuleerd in hun sociale ontwikkeling
  • De leiding zorgt voor de overdracht van normen en waarden

Opmerkingen inspecteur:
“De beroepskracht kent ieder kind in de groep; ze kennen hen bij naam en weten persoonlijke bijzonderheden (bv karakter, slaapritueel, allergieën). In het contact met het kind wordt die kennis gebruikt.”

Praktijkvoorbeeld:
Tijdens de observatie vinden diverse gesprekjes tussen de beroepskracht en individuele kinderen plaats, waaruit blijkt dat de beroepskracht een vertrouwde relatie met de kinderen heeft. Zo geeft de beroepskracht bijvoorbeeld, op het moment dat kinderen het over hun huisdier hebben, aan: 'Ik wist dat jouw hond zo heet, maar ik wist niet dat je nog een hond hebt'. Ook vinden er gesprekjes met meerdere kinderen en de beroepskracht plaats, waarbij de kinderen vertellen hoe hun ouders heten. De beroepskracht weet dat een kind bijvoorbeeld een broertje of zusje heeft en vraagt de kinderen ook hun naam aan de andere kinderen te vertellen. Tegelijkertijd benut de beroepskracht leermomenten. Ze geeft bijvoorbeeld aan: 'Is het een grote hond of een kleine hond?'.

Opmerkingen inspecteur:
“De beroepskrachten begeleiden kinderen actief bij het leren kennen en omgaan met de afspraken in de groep. Zij leggen uit wat er van het kind verwacht wordt. Zij geven aan welk gedrag bij welke situatie hoort in termen van ‘wat er wél mag’.”

Praktijkvoorbeeld:
Gedurende de hele observatie besteedt de beroepskracht aandacht aan de overdracht van normen en waarden.

  • Op het moment dat een kind een verkleedjurk aantrekt, maar de hanger op de grond laat liggen, wijst de beroepskracht het kind op de hanger: 'Waar is de hanger?', 'Daar', antwoord het kind. 'Hang je die nog even aan het rek, dank je!'
  • Op het moment dat een kind een stuk speelgoed van ene ander kind wil afpakken, geeft de beroepskracht aan: 'Euhh, wat zie ik daar? Vraag het maar even! Niet aan elkaar komen!'
  • Een kind zit op tafel. De beroepskracht geeft aan: 'je mag even op de bank gaan zitten', dit doet het kind meteen, waarvoor ze een compliment krijgt.
  • Een ander kind gaat ook op tafel zitten, de beroepskracht vraagt: 'Waar mag je wel zitten? Het kind reageert meteen met 'Op de stoel' 'ja goed zo!'

Aan de getoetste voorwaarde is voldaan.

 2.Personeel en groepen
Bij dit onderwerp gaat de inspecteur na of het personeel over de goede opleiding(en) beschikt en of iedereen die wordt ingezet een VOG (Verklaring Omtrent Gedrag) heeft. Heel belangrijk is of er voldoende medewerkers zijn in verhouding tot het aantal kinderen, de beroepskracht-kindratio. Ook wordt gekeken naar de opbouw en samenstelling van de groepen. Verder kan de inspecteur bijvoorbeeld nagaan of de voorgeschreven voertaal (Nederlands) wordt gebruikt.

Aan de getoetste voorwaarde is voldaan.

3.Veiligheid en gezondheid
Binnen de Wet kinderopvang gelden eisen die betrekking hebben op de veiligheid en gezondheid in een kindercentrum. De houder van een kindercentrum dient beleid te voeren dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in en rond het kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. Tijdens de inspectie is beoordeeld of in een risico-inventarisatie schriftelijk staat vastgelegd welke risico's de opvang van kinderen met zich meebrengt. In de praktijk is beoordeeld of de uitvoering van bijbehorend beleid de risico’s ook daadwerkelijk ondervangt.

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid
In de groepsruimten zijn tijdens de inspectie geen onveilige of ongezonde aspecten waargenomen. Op grond van de gesprekken en de observatie van de praktijk op de groep, is geconcludeerd dat de beroepskracht het veiligheids- en gezondheidsbeleid kent en over het algemeen op een juiste wijze in praktijk brengt.

Voorbeelden:
- de beroepskracht wast de handen voor het bereiden van fruit.
- de kinderen worden gestimuleerd de handen te wassen voor het eten van fruit en verkleedkleren uit te doen voordat aan tafel wordt gegaan.

Aan de getoetste voorwaarden is voldaan.

Vierogenprincipe
De houder dient een beleid te hebben opgesteld zodat alle beroepskrachten en beroepskrachten in opleiding bij hun werkzaamheden gezien of gehoord kunnen worden door een andere volwassene.

Op woensdag en vrijdag zijn twee beroepskrachten aanwezig. Op maandag is een beroepskracht aanwezig. Er is een aftekenlijst aanwezig en deze wordt soms ingevuld indien een beroepskracht alleen op de groep staat.

Echter, in het beleid staat beschreven dat het een uitzondering is dat slechts een beroepskracht aanwezig is. Dit is niet het geval: elke maandag wordt één beroepskracht ingezet, evenals tijdens de verlengde opvang. Ook dan is slechts één beroepskracht aanwezig. Op maandagen wordt vaak wel een vrijwilliger ingezet, ook dit staat niet beschreven in het beleid. Op de dag van het inspectiebezoek werd geen vrijwilliger ingezet en stond de beroepskracht de hele ochtend alleen.

Het beleid komt niet overeen met de praktijk. Juist voor de situatie dat één beroepskracht aanwezig is, is het vierogenprincipe in de Wet Kinderopvang verplicht gesteld. Op basis van bovenstaande voldoet locatie Pippeloentje Onderdijk niet aan de getoetste voorwaarden.

Houder geeft aan:
Er zijn direct aanpassingen gemaakt in het beleid rondom de lange ochtend. Ook was er sprake van een vrijwilliger op de maandag. Dit is vanaf heden niet meer het geval en is dus ook niet opgenomen in het beleid. De basisschool waarin de peuterspeelgroep zit, is het tweede paar ogen. Tevens zijn er twee kasten (niet het aankleedmeubel zelf) verplaatst zodat er voldoende zicht is op de verschoonruimte.

Inspectie-items
Het laatste deel van het rapport is gewijd aan een uitgebreide opsomming van alle geïnspecteerde items. Daarbij wordt per punt verwezen naar de bijbehorende documenten, plannen, voorwaarden en wetsartikelen. Met behulp van de inspectie-items kan iedereen precies nagaan welke zaken zijn gecontroleerd en het hoe en waarom van de controles.

Slot
Het rapport sluit af met een overzicht van alle administratieve gegevens van de locatie en de inspectie. Tot slot is er ruimte voor de zienswijze houder kindercentrum. Hierin reageert Berend Botje op de inhoud van het inspectierapport

Terug naar overzicht